
Jurisprudentie
AZ0567
Datum uitspraak2006-08-18
Datum gepubliceerd2006-10-20
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamCollege van Beroep voor het bedrijfsleven
ZaaknummersAWB 06/409
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-10-20
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamCollege van Beroep voor het bedrijfsleven
ZaaknummersAWB 06/409
Statusgepubliceerd
Indicatie
Ontbinding rechtspersonen
Uitspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
(eerste enkelvoudige kamer)
No. AWB 06/409 18 augustus 2006
24100
Uitspraak in de zaak van:
Exploitatie-Maatschappij A B.V., gevestigd te X, en de erven B, appellanten,
gemachtigde: mr. J.H.L. Gelders, advocaat te Utrecht,
tegen
de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Oost-Brabant, te Eindhoven, verweerster,
gemachtigde: mr. W.A.M. te Lintelo, werkzaam bij verweerster.
1. De procedure
Bij een op 17 mei 2006 bij het College ingekomen beroepschrift hebben appellanten beroep ingesteld tegen een besluit van verweerster van 7 april 2006.
Bij dit besluit heeft verweerster beslist op het bezwaar dat appellanten hebben gemaakt tegen het besluit van verweerster van 25 oktober 2005, strekkende tot ontbinding van
H. & S. International B.V., op grond van artikel 2:19a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
Op 16 juni 2006 hebben appellanten het beroepschrift voorzien van gronden.
Bij brief van 17 juli 2006 heeft verweerster een verweerschrift en op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.
Bij griffiersbrieven van 21 juli 2006 en 27 juli 2006 is verweerster gevraagd enige vragen van het College te beantwoorden en nog enige stukken toe te zenden.
Bij brieven van 24 juli 2006 en 10 augustus 2006 heeft verweerster antwoorden gegeven en stukken toegezonden.
2. De grondslag van het geschil
2.1 De artikelen 2:19 en 2:19a van het BW luiden, voorzover hier van belang, als volgt:
“Artikel 2:19
1. Een rechtspersoon wordt ontbonden:
(…);
e. door een beschikking van de Kamer van Koophandel en Fabrieken als bedoeld in artikel 19a;
(…).
3. Aan de registers waar de rechtspersoon is ingeschreven wordt van de ontbinding opgaaf gedaan: (…), in het geval als bedoeld in lid 1, onder e door de Kamer van Koophandel en Fabrieken (…).
5. De rechtspersoon blijft na ontbinding voortbestaan voor zover dit tot vereffening van zijn vermogen nodig is. In stukken en aankondigingen die van hem uitgaan, moet aan zijn naam worden toegevoegd: in liquidatie.
(…).
Artikel 2:19a
1. Een in het handelsregister ingeschreven naamloze vennootschap, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij wordt door een beschikking van de Kamer van Koophandel en Fabrieken, waar die rechtspersoon is ingeschreven, ontbonden, indien de Kamer is gebleken dat ten minste twee van de hiernavolgende omstandigheden zich voordoen:
(…)
c. de rechtspersoon is ten minste een jaar in gebreke met de nakoming van de verplichting tot openbaarmaking van de jaarrekening of de balans en de toelichting overeenkomstig de artikelen 394, 396 of 397;
d. de rechtspersoon heeft ten minste een jaar geen gevolg gegeven aan een aanmaning als bedoeld in artikel 9, lid 3 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen tot het doen van aangifte voor de vennootschapsbelasting.
3. Indien de Kamer op grond van haar bekende gegevens gebleken is dat een rechtspersoon als bedoeld in de leden 1 en 2 voor ontbinding in aanmerking komt, deelt zij de rechtspersoon en de ingeschreven bestuurders bij aangetekende brief aan hun laatst bekende adres mee, dat zij voornemens is tot ontbinding van de rechtspersoon over te gaan, met vermelding van de omstandigheden waarop het voornemen is gegrond. De Kamer schrijft deze mededeling in het register. (…).
4. Na verloop van acht weken na de dagtekening van de aangetekende brief ontbindt de Kamer de rechtspersoon bij beschikking, tenzij voordien is gebleken dat de omstandigheden die ingevolge het derde lid zijn vermeld, zich niet of niet meer voordoen.
5. De beschikking wordt bekend gemaakt aan de rechtspersoon en de ingeschreven bestuurders.
6. De Kamer doet van de ontbinding een mededeling opnemen in de Nederlandse Staatscourant. (…).
(…).
8. Indien tegen een beschikking als bedoeld in lid 4, beroep wordt ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven schrijft de Kamer dat in het register in. (…).”
2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.
- Blijkens een uittreksel, gedateerd 29 augustus 2005, van het handelsregister stond laatstelijk in dit register ingeschreven de besloten vennootschap H. & S. International B.V., statutair gevestigd te Y. Als adres van de vennootschap stond het adres [adres] te Y genoteerd. Als bestuurder van de vennootschap stond vermeld C, [adres] te Y.
- Bij aangetekende brieven van 29 augustus 2005, gericht aan H. & S. International B.V. en haar bestuurder, heeft verweerster hen op grond van artikel 2:19a, derde lid, BW in kennis gesteld van haar voornemen om tot ontbinding van de vennootschap over te gaan op gronden vermeld in artikel 2:19a, eerste lid, onder c en d, BW.
- Bij besluit van 25 oktober 2005 heeft verweerster H. & S. International B.V. op grond van artikel 2:19a, vierde lid, BW ontbonden.
- Bij brief van 6 december 2005 hebben appellanten tegen de ontbindingsbeschikking beroep ingesteld bij het College. Bij brief van 9 december 2005 heeft het College dit beroepschrift met toepassing van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) doorgezonden aan verweerster ter afhandeling als bezwaarschrift.
- Op 23 januari 2006 hebben appellanten het bezwaarschrift aangevuld. Op
31 maart 2006 zijn appellanten naar aanleiding van hun bezwaarschrift gehoord door een ambtelijke commissie. Van dit gehoor is een verslag opgemaakt.
- Vervolgens heeft verweerster het bestreden besluit genomen. Bij dit besluit heeft verweerster het bezwaar van appelanten ongegrond verklaard en haar beschikking tot ontbinding gehandhaafd.
3. De beoordeling van het geschil
Aan de orde is of verweerster de beschikking tot ontbinding van H. & S. International B.V. bij het besluit op bezwaar terecht heeft gehandhaafd. Het College overweegt daarover als volgt.
Verweerster heeft haar beschikking tot ontbinding van H. & S. International B.V. van
25 oktober 2005 gegrond op de in artikel 2:19a, eerste lid, onder c en d, BW genoemde omstandigheden.
Bij brief van 10 augustus 2006 heeft verweerster het College bericht dat, in tegenstelling tot eerdere informatie van de Belastingdienst, is gebleken dat de aanmaningen voor de vennootschapsbelasting 2003 en 2004 pas op respectievelijk 9 mei 2005 en 6 juni 2006 aan H. & S. International B.V. zijn verstuurd. Dit betekent dat noch ten tijde dat verweerster te kennen gaf voornemens te zijn de vennootschap te ontbinden, noch ten tijde van de beschikking tot ontbinding aan verweerster kan zijn gebleken dat H. & S. International B.V. ten minste een jaar geen gevolg heeft gegeven aan een aanmaning als bedoeld in artikel 9, lid 3 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen tot het doen van aangifte voor de vennootschapsbelasting.
Aangezien verweerster derhalve niet is kunnen blijken dat zich twee omstandigheden als genoemd in voormeld artikel 2:19a, eerste lid, BW voordeden en het zich voordoen van slechts één omstandigheid onvoldoende is om een gehoudenheid dan wel bevoegdheid te doen ontstaan om tot ontbinding van de rechtspersoon over te gaan, heeft zij haar besluit waarbij de beschikking tot ontbinding is gehandhaafd genomen in strijd met artikel 2:19a, vierde lid, BW. Dit besluit moet om die reden worden vernietigd. Het beroep van appellanten is derhalve kennelijk gegrond, zodat voortzetting van het onderzoek niet nodig is.
Aangezien een nieuwe beslissing van verweerster op het bezwaarschrift slechts kan strekken tot ongedaanmaking van voornoemde ontbindingsbeschikking, acht het College termen aanwezig om, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, Awb, de beschikking tot ontbinding te herroepen, te bepalen dat daarvan opgaaf wordt gedaan aan de registers waar de betrokken vennootschap ten tijde van de ontbindingsbeschikking stond ingeschreven en voorts te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit.
Het door appellanten betaalde griffierecht zal aan hen moeten worden vergoed.
Het College acht voorts termen aanwezig verweerster onder toepassing van artikel 8:75 Awb te veroordelen in de proceskosten aan de zijde van appellanten, zijnde de kosten van de door hun gemachtigde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Met in achtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden deze kosten vastgesteld op € 322,-- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift).
Met toepassing van artikel 19 van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie en artikel 8:54 Awb leidt dit tot de volgende uitspraak.
4. De beslissing
Het College:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van verweerster van 7 april 2006 met het kenmerk CVer/16032635
- herroept tevens de beschikking van verweerster van 25 oktober 2005;
- bepaalt dat verweerster daarvan opgaaf doet aan de registers waar de betrokken vennootschap ten tijde van de
beschikking van 25 oktober 2005 stond ingeschreven;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit;
- bepaalt dat verweerster het door appellanten betaalde griffierecht ten bedrage van
van € 281,-- (zegge: tweehondereenentachtig euro) aan hen vergoedt;
- veroordeelt verweerster in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van
€ 322,-- (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro).
Aldus gewezen door mr. C.M. Wolters in tegenwoordigheid van mr. A. Venekamp, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2006.
w.g. C.M. Wolters w.g. A. Venekamp
Verzonden op: 18 augustus 2006
Een belanghebbende kan tegen deze uitspraak ingevolge artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht binnen 6 weken na de dag van verzending gemotiveerd verzet doen bij het College, door middel van een ondertekend verzetschrift.